Diagnose

De diagnose autisme is een 'gedragsdiagnose' en is dus (nog) niet vast te stellen door middel van lichamelijk onderzoek, zoals bloedonderzoek of hersenscan. Bij het vast stellen van de diagnose kijkt men naar de (combinatie van de) drie symptoomgebieden: sociale interactie, communicatie, stereotype gedragingen en interesses.
Om een diagnose te kunnen stellen wordt er informatie ingewonnen over het gedrag van de persoon met een vermoeden van autisme. Hierbij kan gedacht worden aan gesprekken met ouders of familieleden (bijvoorbeeld ontwikkelingsanamnese of een gestandaardiseerd interview naar kenmerken van autisme zoals de 3DI: het Developmental, Dimensional Diagnostic interview), observaties (bijvoorbeeld psychiatrisch onderzoek of een semi-gestructureerde observatie via het Autisme Diagnostisch Observatie Schema, ADOS), intelligentie-onderzoek, neuropsychologisch onderzoek en persoonlijkheidonderzoek.

De diagnose kan gesteld worden door een (kinder- en jeugd)psychiater of een GZ-psycholoog, of door een multidisciplinair team geleid door een psychiater of GZ-psycholoog.